Anna-Theresia en haar zussen

Anna-Theresia Claeys was bijzonder voor mij, in die zin dat ik zonder haar niet had bestaan. Ze was één van mijn vier overgrootmoeders, geboren in Waarschoot, vierde van negen kinderen en bracht zelf zes kinderen op de wereld waarvan er drie vóór haar heengingen. Haar jongste dochter, verloor ze  in 1917 aan TBC. Rosalia werd net geen achttien. Kort daarna stierf haar man van verdriet. Voor mijn vader en zijn zus heette ze Meetje Claeys. Én ze was arm, haar leven lang. Oh ja, er is nog foto van haar. Meer info heb ik niet.

Maria-Theresia Claeys

Cordula Amélia was haar twee jaar oudere zus. Van haar geen foto’s. Wel één feit met een staartje. Ze huwde Theophiel Demuynck, een kolenhandelaar, en samen kregen ze drie kinderen. Toen Lievin, Gustaaf en Juliana nog klein waren, besloten Theophiel en Cordula samen een vishandel te beginnen in de Lammerstraat te Gent. Enkele huizen verder stond het Nieuwe Circus, beter bekend als het wintercircus. Voor de jongens ging een nieuwe wereld open. Dagdagelijks zagen ze artiesten aan het werk. Door de microbe gebeten, startten ze uiteindelijk hun eigen circus. Circus Demuynck stond van bij het begin in 1918 voor hoog kwalitatief circus. De artiest in Gustaaf kende geen grenzen, de zakenman echter wel. In 1961 ging Circus Demuynck op de fles. Alle hebben en houden werd openbaar verkocht voor slechts 300.000 Bef (7500 euro) aan een zekere Bobbejaan Schoepen. Hieruit kan alvast afgeleid worden dat mijnheer Schoepen ik heb eerbied voor jouw grijze haren niet voor collega Demuynck schreef.

Gustaaf Demuynck, Louise Muylaert en hun dochter Rachel, ca. 1940 | Huis  van Alijn
Gustaaf Demuynck, dochter en vrouw

Emelie Maria was het kakkernestje. In theorie was ze het negende kind. In praktijk was ze bij haar geboorte kind nummer vijf, de vier anderen haalde hun eerste verjaardag niet. Van haar wel een foto alsook een feit met een staartje. Ergens rond de eeuwwisseling liep Emelie door de Veldstraat. Met open mond staarde ze naar de oneindige rij chique winkels. Dromend stapte ze van de ene vitrine naar de andere. Ergens halverwege brak  een schoenhak af waardoor ze viel. Veel gegiechel rondom, maar ook hulp. Een in een handschoen gehulde hand hielp haar recht. Die hand behoorde tot Baron Ferdinand Rotsart de Hertaing, eigenaar van de helft van Eke. Hij was op slag verliefd op de jonge dame en trouwde haar. Vanaf die dag kon Emelie alles kopen waar ze voordien enkel kon van dromen. Vanaf die dag werd ze door zijn familie gekleineerd en gepest. Vanaf die dag werd ze door haar eigen jaloerse familie beschouwd als een buitenstaander. Op zijn sterfbed zei de baron ‘Emelie, we hebben geen kinderen, gedenkt uw arme familie wanneer gij sterft.’ Haar wraak was zoet. Ze stierf veertien jaar later, in 1944 en schonk alles aan de openbare onderstand (het huidige OCMW). Naar het schijnt zou er hevig gevochten geweest zijn, toen bij de notaris, maar het mocht niet baten.

Emelie Maria Claeys

De held van Wissant

Ik weet het nu pas, de vader van mijn grootvader was geen bloedverwant van me. Hij huwde mijn overgrootmoeder, haar onwettig kind kreeg zijn naam. Het gekke is dat ook ik ondertussen overgrootvader ben en mijn bloed niet stroomt door alle aderen van diegenen die mijn naam dragen.

Ik werd geboren in Zwijnaarde. Toen De Groote Oorlog uitbrak werd ik ingedeeld bij het  4de Regiment Lansiers. In Halen namen we deel aan ‘De slag der Zilveren Helmen’ waar we met verve den Duits in de pan hakten. We verdedigden Antwerpen en namen daarna stelling achter de IJzer. Het heldhaftigst waren we echter op 26 juli 1917 in Wissant.

Het was mistig die ochtend toen de UC61, een Duitse onderzeeër, op weg was naar Boulogne-sur-Mer met de opdracht daar en in Le Havre mijnen te leggen. Om de vissersnetten te ontwijken voer het vijftig meter lange gevaarte dicht, te dicht bij de kust en liep vast. Nadat we de bemanning te pakken hadden, maakten we de explosieven onschadelijk, daarna bliezen we het zeemonster op waarna het naar de zeebodem zonk. Vorig jaar, iets meer dan honderd jaar na de feiten, gaf de zee het schip terug. Bij laag water kan je nu de resten van het wrak zien.

Voor de plaatselijke bevolking waren we helden, de overwinning werd gevierd. Julie was amper negentien toen ik haar tussen de feestvierders opmerkte. Ze was het mooiste dat ik ooit had gezien. Die avond kusten we voor het eerst. Enkele maanden later waren we getrouwd. Toen het regiment terug naar België trok, kreeg ik een zilveren medaillon met daarin haar afbeelding. Ik gaf haar mijn woord terug te keren na de oorlog.

Te Wippelgem, in 1918,  onderscheidden we ons door op uitmuntende wijze weerstand te bieden aan een vijand die vele malen sterker was. In november van dat jaar werden de wapens eindelijk het zwijgen opgelegd. Ik vertrok quasi onmiddellijk terug naar Ambleteuse.

Julie was ondertussen bevallen van Emile-Robert. Er diende brood op de  plank te komen. Ik werd, wat daar het meest voor de hand liggend was, visser.

Het regende hard die ochtend maar we voeren toch uit. De vangst was mooi en tegen de vooravond maakten we rechtsomkeer. Het weer werd grilliger. Storm.

Julie heeft lang op mij gewacht. Ik kon helaas niet terug. Noodgedwongen hokte ze samen met Georges, wat ik met pijn in het hart moest laten gebeuren maar begreep. Ze kregen samen drie kinderen.  Van een vermiste persoon kan je niet zomaar scheiden dus kregen ze mijn naam.

Mocht de zee in Ambleteuse ooit het wrak van een vissersboot teruggeven, denk je dan aan mij?

Emile-Joseph Dossche (°1892- + voor 1924)

https://www.hln.be/nieuws/buitenland/zee-legt-na-meer-dan-100-jaar-resten-bloot-van-duikboot-die-verging-in-eerste-wereldoorlog~a5312d1e

Cyriel en Leo (oktober 2017)

De C. Verschaevestraat klinkt bijna als de Scheveschaatsenstraat, wat ze eigenlijk ook een beetje is.
Veel heisa rond Cyriel Verschaeve die in WOII collaboreerde met de vijand en daarvoor beloond lijkt met een straatnaam. Men wil nu de naam veranderen in de Anne Frankstraat.
Ikzelf zou ook liever wonen in de Reddingsloepstraat dan in de Pantserschipstraat. Het eerste klinkt gewoon sympathieker dan het tweede maar een voertuig kan je niks verwijten, dat valt onder de verantwoordelijkheid van de mensen.
Zelf zou ik ook niet graag in de Adolf Hitlersteeg of de Osama Bin Ladendreef wonen dus ik begrijp het probleem met de C. Verschaevestraat zeker. Het zal je maar overkomen dat je bijvoorbeeld net een zaak bent begonnen en duizenden euro’s aan drukwerk hebt betaald waaraan je binnenkort niks meer hebt.
Om zo’n problemen te vermijden zou het toch veel makkelijker zijn om het onderschrift gewoon aan te passen. Er zullen toch nog mensen bestaan hebben die naar de naam C. Verschaeve luisterden? In de plaats van ‘schrijver °1874- +1949’ zou er dus evengoed ‘automechanieker °1938 – +2012’ kunnen staan. Iedereen content!
Alle Leopold II-straten, pleinen, standbeelden, etc… mogen voor mijn part ook verdwijnen. Leopold II was verantwoordelijk voor de dood van miljoenen mensen. Je zou kunnen zeggen dat good old blanke Leo het niet zo goed ophad met de zwarte medemens, daar in Congo. Weg dus met alles wat ons aan hem en ons, aan hem gelinkt, duister verleden doet herinneren. Al zal het hem wellicht worst wezen, daar in zijn praalgraf. Hoewel, het ergste wat hem nu nog kan overkomen is dat we hem zwart maken, toch?

Birddays, the happy and unhappy ones

Kwart over zes was het, deze morgen toen ik een harde bonk hoorde. Het is niet altijd makkelijk een geluid te herkennen, zeker niet wanneer je er plots van wakker schrikt en het bovendien niet repetitief is. Inbrekers? De ochtendstond brengt geen dieven, dacht ik bij mezelf. De katten? Die liet ik gisterenavond buiten, tenzij iemand anders ze terug binnenliet. Ik probeerde het zo snel mogelijk te vergeten en opnieuw de slaap te vatten, wat niet meer lukte. Na wat draaien en keren besloot ik op te staan.

Ik hou van de  mooie, grote glaspartij die vanuit de living een prachtig zicht geeft op onze tuin. Het eerste wat ik steeds doe is  één van de glazen deuren openen om zo nog meer contact te hebben met de tuin en haar bewoners.

Het was opvallend stil deze keer. Ik zocht naar herkenbare melodieën maar hoorde niks, enkel stilte. Doodse stilte. Geen merel die anders op vrolijke toon zijn ochtendlied bracht, geen kraai die ruziede met een ekster, zelfs geen duif die uit verveling zat te kirren. Niks.

Vorige week leerde ik Marijke enkele fluiters herkennen. We zaten samen nog wat na te genieten aan het kampvuur in de tuin. De merel herkende ze, de tjiftjaf was nieuw voor haar. We kregen diezelfde avond ook nog bezoek van een winterkoninkje. Ik vertelde haar van die keer dat er een groene specht was gespot en kort daarna de grote bonte specht op bezoek kwam.  Hoe jammer het was, die keer, dat er een uil werd weggejaagd door de plaatselijke kraaienpopulatie.  Hoe cool het zou zijn een roofvogel op bezoek te hebben.

De katten kwamen, staart tussen de benen, naar me toe. Hun houding verried de aanwezigheid van iets groots. Ik volgde hun argwanende blik . Alle puzzelstukjes vielen plots in elkaar.

De slechtvalk is een prachtige roofvogel die een snelheid haalt van 389 km per uur. Niks kan deze vliegende jager stoppen. Niks, behalve een mooie, grote glaspartij.

Mijn vriend Ralph is vandaag jarig, ik wenste hem net via Messenger een ‘happy birdday’. Flauwe woordgrapjes, ze zijn sterker dan mezelf. Ongepast deze keer! Ik voel spijt en schuld jegens het mooie dier. Vanavond breng ik hem naar een taxidermist om hem zo, uit eerbetoon, het eeuwige leven te schenken.

Pas op voor Inge na middernacht

Vannacht, rond 3.00u, werd ik gewekt door een sms. Eerst negeerde ik die maar bij de tweede rinkel bekeek ik, slaapdronken, de afzender. Het was Inge. ‘Who the fuck is Inge’, dacht ik bij mezelf. Het irritante geluid had ook Marijkes slaappatroon onderbroken. Ik hoorde haar draaien en keren maar de verwachte ‘wie was dat?’ kwam niet. Leg het anders maar eens uit, het was Inge. Wij kennen helemaal geen Inge. Het is te zeggen, we kennen wel enkele Inges maar geen enkele zo goed dat die in het holst van de nacht een sms zou sturen, laat staan naar mij. Een slapeloze nacht zou dan mogelijks ons part geweest zijn.

Hij verliep verder echter rustig. In mijn dromen kreeg ik bezoek van enkele mensen die ik lang niet meer gezien of gehoord had. Ik droom veel en graag, bijna elke nacht. Dromen zijn als animatiefilms, geen regels, alles kan! Het enige jammere is dat ze zo vluchtig zijn. Van zodra je wakker wordt, lossen ze op als aspirines in een glas water. De kleine fragmentjes op de glasrand zijn alles wat rest.

Deze morgen werd alles duidelijker. Geen bericht van Inge, wel van ING. Het zijn lieve, bezorgde mensen daar bij de bank. Ze verwittigden mij dat mijn rekening in de ‘quarantaine zone’ was geplaatst en dat ik voor 27 mei moest inloggen op een bijgevoegde link om mijn rekening te deblokkeren. Ik vroeg me wel af hoe ze dat gingen fiksen, ik heb helemaal geen rekening bij ING. Oplichters dus. Ik heb met hen te doen, zo laat nog moeten werken. Langs de andere kant is het nachtwerk, dus wellicht dubbel betaald.

Niet alle eendjes zwemmen in het water

De laatste tijd werk ik met regelmaat in mijn atelier. Tussen het huis en de werkplaats ligt, over een geschatte afstand van zestig meter,  een stuk van onze tuin. Onderweg, van A naar B, passeer ik magnolia, noten-, kastanje- en olijfboom. Daarna groet ik appelaars en kerselaars (een Japanse en een Belgische), enkele naaldbomen, de eik. Het is een plezier ze te zien groeien en bloeien, eerst kregen ze blad, dan bloesem en nu bij enkelen al de vrucht.

Verder zijn er ook de dieren. Sedert kort woont K3 in onze tuin. Kwik, Kwak en Kwek, twee mannetjes en één wijfje, wisselen de zon af met een duik in het water. Wanneer ze me zien, komen ze mijn richting uit hopend dat ik broodkruimels op zak heb. Ja, ook de liefde van de eend gaat door de maag.

Dieren kunnen ook wreed zijn en dan heb ik het niet enkel over mijn katten die met regelmaat een spits-, woel- of veldmuisje meebrengen waarmee ze dan spelen tot de dood hen scheidt.  De sloebers durven ook wel eens, en dat vind ik al erger, een vogeltje grijpen. Onlangs nog lag er een dood roodborstje op het terras. Geen twijfel dat dit een slachtoffertje was van Rosie of Moustache. Ik  had het pas door toen een ekster op ons terras landde (wat anders nooit gebeurt) en terug wegvloog met het doodborstje in de bek.

Eksters, kauwen, kraaien, het zijn wrede vogels, lijkenpikkers maar eveneens ploegspelers. Zo was ik ooit getuige van die teamspirit. Een uil was in een den geland. Ik weet niet of hij gewoon moe was of dat hij zinnens was zich daar te vestigen maar de kraaiachtigen lieten hem geen keuze. ‘En masse’ maakten ze, rond de roofvogel vliegend, kabaal voor honderd. Zoveel, zo luid en zolang het nodig was om de uil, met trage vleugelslagen, het hazenpad te laten kiezen. Zijn aftocht staat voor immer op mijn netvlies gebrand.

Onlangs zat ik aan de waterkant (ja, wij hebben een rivier in onze hof) te kijken naar twee wilde eenden. Het koppeltje dobberde, genietend van elkaar en de zon, rustig op het water. Niks kondigde de gruwel aan die volgen zou.  Een tiental meter verderop landden drie woerden op het water. Het mannetje van het koppel stormde als een bezetene af op de leider. Het gevecht begon op het water en ging verder in het struikgewas. Het ging er hevig aan toe. Enkele minuten later werd het stil. Uit het struikgewas verscheen één eend, ik wist niet meteen welke van de twee. Het wijfje, dat verderop het resultaat van de strijd afwachtte, wist dat wel. Ze nam onmiddellijk de vleugels. Als een georganiseerde motorbende zetten de drie musketiers de achtervolging in. De jacht was geopend. Hoe het verder afliep, daarover kan enkel gegist worden. Stiekem hoop ik dat ze het drietal heeft kunnen afschudden en dat ze, wanneer ze haar verlies verwerkt heeft, opnieuw een knappe, stoere, lieve woerd tegen het lijf zal vliegen.

Van de kloten

John woont al enkele jaren in Gent, spreekt geen Nederlands. Covid19 maakte echter geen onderscheid, hij werd opgenomen. Na enkele weken op intensieve zorg ontwaakte hij uit coma.

Als beginnend verpleegkundige had Katrien niet veel ervaring. Bovendien was haar kennis van het Engels nogal aan de magere kant. Een gevaarlijke combinatie, zo bleek.

Op haar eerste werkdag kreeg ze de kamer van de Brit toegewezen.  John, net uit coma, riep haar bij hem. Met een gebroken fluisterstem vroeg hij  ‘Nurse, are my testicles black?’ Katrien wist niet wat ze hoorde, keek tevergeefs en vragend in het rond, iedereen was bezig. Aarzelend tilde ze het laken op met haar ene hand, voorzichtig reikte haar andere naar zijn kruis. Aandachtig onderzocht ze, tussen duim en wijsvinger, eerst de  linker en daarna de rechter teelbal. Zelfverzekerd antwoordde ze ‘No, they are not’, waarop ze – lichte blos op de wangen – de kamer verliet.

In de vooravond liep ze opnieuw John’s kamer binnen. Ze werd terug  bij hem geroepen en kreeg dezelfde vraag voorgeschoteld. Are my testicles black?  Zelfzekerder dan de eerste maal greep ze naar het laken en onderzocht ze alles eronder. John liet begaan. Opnieuw was haar antwoord negatief. De man greep haar bij de arm, keek haar recht in de ogen. Hij schraapte zijn keel en zei op rustige toon, ‘Nurse, I really appreciate what you just did but what I really want to know: are… my… testresults… back?’

Vanessa

Enkele weken terug kwam ik haar tegen in mijn tuin. Ze fladderde rond mij als een verliefde puber. Ik vond het leuk, stond toen een tijdlang stil om naar haar te kijken. ‘Wat ben jij mooi’, zei ik. Zij zweeg maar kwam op me zitten zodat ik haar nog meer en beter kon bewonderen. Ik was verkocht.

Drie dagen lang ontmoetten we elkaar, steeds op de dezelfde plek naast de serre. Steeds was ze uitgedost in een zwart kleed met witte vlekken, oranje lijnen. Het tintje blauw onderaan liet ze me onbeschaamd van dichtbij zien. Drie dagen lang vloog ze, telkens ze me zag, naar me toe en kwam op me zitten. Ik was in de wolken.

De vierde dag zocht ik haar, maar ze was er niet. De vijfde evenmin. Daarna, zoals dat met verliefdheid soms gaat,  vergat ik haar snel. Tot daarnet. Zonder verwittiging was ze terug, na weken van afwezigheid.  Alsof ze nooit was weggegaan, fladderde ze naar en rond me. Eerst landde ze op mijn arm, daarna mijn borst, mijn hand. Zo, telkens met een fladderpauze ertussen, raakte ze me uiteindelijk overal aan. Ik was verbluft.

Vanessa Atalanta is haar volledige naam. Google leerde me dat ze elk jaar vanuit het zuiden van Europa tot hier vliegt om te paren. Dat ze net mij daarvoor heeft uitgekozen vind ik een hele eer.  Hoe we dat gaan flikken, moeten we nog bekijken. Daarover vind ik op Google niks terug…

De amateur-vogelaar

De lente is mijn favoriete seizoen. Niet alleen staat alles in bloei, worden de zaadjes in de serre mini-groentjes, ook de vogeltjes fluiten alsof het een lieve lust is. Soms sta ik minutenlang vol bewondering te luisteren naar hun lied. Wanneer ik een nieuwe fluiter hoor, ga ik naar hem op zoek en als ik hem gevonden heb, bestudeer ik hem zo aandachtig mogelijk. Eens terug binnen neem ik dan mijn vogelboek en zoek ik op. De app Tjilp! is ook een handige bondgenoot wanneer het op herkennen van hun gezang aankomt.  Onlangs kwam de tjiftjaf op bezoek, zalig vogeltje. De pimpel-, kool- en staartmees houd ik uit elkaar met de vingers in de neus. Niemand zingt mooier haar lied dan de merel in de vroegte of  bij valavond. De nieuwsgierigste der gevleugelden is ongetwijfeld het winterkoninkje die, wanneer je met behulp van tjilp! haar lied afspeelt, bijna op je schoot komt zitten.

Deze morgen was het opnieuw prijs. Hoog, laag, hoog, laag. Een fluiter die ik ergens van herkende maar niet onmiddellijk kon plaatsen. Het klonk luid, dus was dicht in de buurt. Ik veerde recht en begaf me richting de openstaande tuindeur. Hoog, laag, hoog laag. Ik spitste mijn oren om zo bij een volgend salvo beter te weten waarvandaan de zalige fluiter zijn lied zong. Hoog, laag, hoog, laag. Het geluid kwam van binnen. Ontgoocheling. De wasmachine vertelde me dat het wasprogramma beëindigd was…